De alpaca

De alpaca is zo’n 4000 jaar geleden ontstaan door kruising van andere kameelachtigen die leefden op de grote hoogten aan de westkant van Zuid Amerika.

De alpaca is een goed handelbaar dier dat vriendelijk en lief is. De soort is qua grootte en gewicht vergelijkbaar met de vicuña. Ook de fijnheid en zachtheid van de vacht komt in de buurt van de vicuña vacht. De sterkte en lengte van de alpaca vezel laat de invloed van de guanaca zien.
Vanaf de 12 de eeuw tot de 16 de eeuw heeft de alpaca zich in het Inca rijk verder kunnen ontwikkelen tot een sterk dier met goede wol.  In toevoeging op hun werk als lastdier, werden alpaca’s ook gefokt als leverancier van wol en mest, die ook gebruikt werd als brandstof. De beste wol kwam van de wilde vicuña. Dit dier werd gevangen, geschoren en weer vrijgelaten.
De Inca’s haalden enorme hoeveelheden goud en zilver uit hun mijnen, maar deze rijkdom bracht uiteindelijk ook rampspoed over hen, toen de Spaanse soldaten in de 16de eeuw voor zichzelf en hun koning op zoek gingen naar deze onmetelijke rijkdommen. Het overgrote deel van de Inca’s werd vermoord en ook van de alpaca populatie bleef maar weinig over.
Vooral Peruaanse alpaca boeren hebben in de eeuwen daarna de populatie weer op peil kunnen brengen en door selectief te kruisen de kwaliteit van vooral de wol op een hoog niveau gebracht.
De interesse van de rest van de wereld nam toe en vanaf  eind jaren 80 van de vorige eeuw werden er alpaca’s uit Zuid Amerika geëxporteerd naar andere continenten. Door wetenschappelijk onderzoek en selectief te kruisen en alles te registreren boekt men nu  grote vooruitgang in vooral de kwaliteit, de lengte en de hoeveelheid van de wol van een alpaca.

Een alpaca in de wol.
Een alpaca inde wol.